De lotgevallen van Droezewyn (Deel I) – Het beloofde land

Aelscht, 21 november 1625, bij het krieken van de dag.

De einder was ver. Dat had Droezewyn niet verwacht.

‘We zien elkaar aan de einder bij het krieken van dag’ : had de gemaskerde met rouwe stem gesproken. Maar er kwam geen einde aan die ellendige einder en de moed begon hem langzaam maar zeker in de Foempies te zakken. ‘Ook naar die krieken zal ik wel kunnen fluiten’, mompelde onze jonge held bij zichzelf, terwijl hij met kleine huppelpasjes en intervallen van drie à vier meter verderschreed richting afgesproken doel.

Precies een week eerder had de onherkenbare man met masker voor hem gezeten aan een brede tafel van Noormannenmakelij. Maskers waren nog een zeer zeldzaam gegeven in het Aelschtersche van die tijd en dus was Droezewyn bijzonder in zijn nopjes. De groezelige herberg (afspanning De Uienschel, red) op de grens van het Land van Aelscht en Graafschap Aaghem had vol met kleverige blauwe rook gehangen en was slechts verlicht met enkele kaarsen en een kampeerlamp. De jukebox speelde zacht en op de achtergrond weerklonken de liederen van bard Wilthur Raha. De regen én enkele spijbelende schoolkinderen tikten onophoudelijk tegen het raam.

‘Luistert aandachtich gij jonge reus’, weerklonk het van de overkant van de tafel, ‘en aanhoort mijn relaas’. Droezewyn knikte instemmend en beet terloops even van zijn droge worst. De zonderling werd hierdoor niet van de wijs gebracht en vervolgde terstond: ‘U wacht een grote toekomst mijn waarde gevlochten vriend, maar niet hier. NIET HIER! Indien u mijn raad opvolgt voorspel ik u minstens een kleine 4 meter 20, doch dit geheel terzijde. In dit verdorde Aelschtersche land wacht u slechts honger, vernedering of een job in den Amylum. Neemt daarom uwen knapzak terschouder en begeeft u met rasse schreden richting het beloofde Land van Dendermonde. En om schriftelijke herhaling te vermijden, ontmoeten we elkaar op de plaats en tijdstip die den schrijver reeds eerder aangaf in dit verhaal!’. Maskermans dronk zijn tinnen pot Fristi ad fundum ledig en verliet de herberg zonder meer. Dat hij daarbij de tikkende kindjes onder het raam bloederig onder de voet liep heeft de geschiedenis nooit gehaald.

De Aelschtersche vloek indachtig treffen wij onze reus bijgevolge onderwhege naar zijn nieuwe maar onzekere Dendermondsche toekomst. De zon verscheen twijfelend aan de einder dus hij begon er langzaam maar zeker meer van te zien. Maar meer daarover in een volgend avontuur!

Wordt vervolgd

About Hipoliet Beschenstruyck

Hipoliet Beschenstruyck

Cum laude afgestudeerd aan de kleuterafdeling van het Institut Scientifique Des Enfants terribles à Carcassonne. Ervaringsdeskundige op het gebied van tempeliersonderbroeken en de zuurtegraad van vergeelde perkamentrollen. Verwoed verzamelaar van middeleeuwse graansoorten en als broodschrijver voorheen actief bij ‘Le journal saintgilloise’ en landbouwmagazine ‘La Dernière Beurre’.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*